Enquete burenoverlast

Burenoverlast?
Of u een goede buur bent, blijkt uit de praktijk. Hoe hoog scoort u? Doe de burentest en u weet wat voor buur u bent?
1. Uw buren lijken de hele zomer door te barbecuen. Wat doet u?  
A Ik koop een vuurkorf die ik aansteek als de wind hun kant op is.
B Ik maak een praatje met ze en geef aan dat ik er geregeld last van heb
C Ik lucht mijn hart bij vrienden en de andere buren
 
2. Hoeveel buren kent u bij naam (voornaam en/of achternaam)?  
A Géén enkele
B 1-4
C Meer dan 4
 
3. Let u bij het kopen van een nieuwe machine op het geluidsarme aspect  
A Nee
B Ja, ook al is de prijs minder gunstig
C Nee, maar ik was alleen overdag
 
4. Het is weekend en u geniet thuis van uw favoriete muziek.  
A Ik vraag me af of de buren last hebben van mijn muziek en zet de muziek snel al zachter.
B Ik denk helemaal niet aan mijn buren.
C Ik denk: "Dit is mijn huis en ik doe wat ik wil"
 
5. Uw vloerbedekking is:  
A Hard, maar ik loop binnen niet op schoenen
B Hard, maar daar hoor je toch niets van
C Zacht
 
6. U heeft last van uw buren. Wat doet u?  
A Ik vertel rustig en duidelijk waar ik last van heb?
B Ik dreig met de politie als er niet snel wat verandert.
C Ik vraag op een verontschuldigende toon of ze misschien iets aan de overlast kunnen doen.
 
7. Kondigt u een feestje aan bij de buren?  
A Ja, ongeveer anderhalve week van tevoren.
B Nee, ze merken het vanzelf wel.
C Ja, op de avond van het feest.
 
8. In de straat wordt een straatfeest georganiseerd, doet u mee?  
A Nee, ik verzin een smoesje en zorg dat ik weg ben als het feest begint.
B Natuurlijk, het is een leuk idee en misschien kan ik wel een handje helpen?
C Ik heb er geen zin in maar ik ga toch, want ik vind het goed voor het contact met de buurt.
 
9. Als u op straat één van uw buren tegenkomt dan…  
A zeg ik gedag.
B maak ik een praatje
C zeg ik niks.
 
10. U komt in een nieuwe buurt te wonen. Gaat u kennis maken met de buren?  
A Nee.
B Ja, zo snel mogelijk. Ik ben benieuwd wie er naast me wonen.
C Nee, ik wacht wel op een toevallige ontmoeting.
 
11. Het is 8 uur ’s avonds, het stortregent en de suiker is op. Wat doet u?  
A Ik ga naar de avondwinkel, tien minuten bij mij vandaan.
B Ik ga naar vrienden 3 straten verderop.
C Ik bel bij de buren aan en vraag wat suiker te leen.
 
12. Het is half twaalf ’s avonds, u ligt net in bed en opeens begint de buurman trompet te spelen. Wat doet u?  
A Ik bonk met een hard voorwerp tegen de muur/het plafond om hem te laten stoppen.
B Ik bel aan bij mijn buurman en vraag vriendelijk doch dringend of het kan stoppen.
C Ik houd mijn ergernis voor mij en geef de buurman de schuld van mijn gebrek aan slaap.
 
13. Er is een flink pak sneeuw gevallen. De stoep is daardoor onbegaanbaar. Wat doet u?  
A Ik wacht wel tot de sneeuw gesmolten is.
B Ik kijk wat de buren doen en help dan een handje mee.
C Ik pak een sneeuwruimer of schop en zorg dat een flink deel van de stoep sneeuwvrij is.
 
14. Eén van uw buren is na herhaaldelijk klagen niet voor rede vatbaar en blijft u storen met ernstig geluidsoverlast. Wat doet u?  
A Ik bel de verhuurder voor advies wat ik nog kan doen.
B Ik vraag bij andere buren of zij ook last hebben en samen ondernemen we actie.
C Ik bel de politie.